Historie

Historie

In deel 4 van de PKB Waddenzee – dat is de Derde Nota Waddenzee (januari 2007) die nu geldig is – schetst het rijk het volgende ontwikkelingsperspectief voor de waddenhavens:

“De Waddenzeehavens hebben zich duurzaam ontwikkeld op een wijze die recht doet aan hun specifieke ligging en mogelijkheden. Hierbij hebben de havens zich op een afgestemde manier gedifferentieerd en gespecialiseerd.” (pagina 10)

In het Regionaal College Waddengebied (RCW) werken rijk, provincies, gemeenten en waterschappen samen aan de uitwerking van de strategische hoofdlijnen van het Waddenzeebeleid. Het RCW stelde het Integraal Beheer- en Ontwikkelingsplan Waddengebied op, dat een streefbeeld en een referentiekader geeft voor de Waddenzee (juni 2008). Het RCW concretiseert het ontwikkelingsperspectief voor de waddenhavens en beschrijft hun positie als volgt:

“De industrie in het Waddengebied is voor een groot deel gekoppeld aan de vier grotere havens: Den Helder, Harlingen, Eemshaven en Delfzijl. De havens van Den Oever en Lauwersoog zijn merendeels op de visserij gericht. Meer dan de helft van de werkgelegenheid in het Waddengebied bevindt zich in de havensteden. In Den Helder loopt de werkgelegenheid terug ten gevolge van de inkrimping van de Koninklijke Marine, maar biedt de offshore nieuwe kansen. De Eemshaven ontwikkelt zich meer en meer als energiehaven. Naast de industrie die geconcentreerd is in de havensteden is er vrij veel bedrijvigheid in de kleinere kernen in het Waddengebied. Bedrijvigheid die zich op kleinere schaal afspeelt. Dikwijls vormt de uitstraling van de bedrijvigheid in het landschap een knelpunt, bijvoorbeeld omdat daardoor de beleving van het gebied voor toeristen minder aantrekkelijk wordt” (pagina 42).”

In economisch opzicht neemt het RCW het initiatief om aan die ontwikkeling invulling te geven, door een koers uit te zetten voor de waddenhavens:

“Den Helder, Harlingen, Eemshaven en Delfzijl opereren in een sterk concurrerende Noordwest-Europese markt. De havens moeten zich in deze markt sterker profileren door het analyseren en verder ontwikkelen van de eigen kracht. Uit samenwerking moet specialisatie en profilering groeien die de Nederlandse waddenhavens in staat stelt om gezamenlijk één concurrerend product in de markt te zetten. Deze samenwerking wordt door de overheden krachtig gestimuleerd. Dit biedt tevens ruimte om duurzaamheid als selling point te ontwikkelen.” (pagina 44)

Een centrale vraag in het project is hoe duurzaamheid zich laat ontwikkelen als selling point van de waddenhavens. Is het mogelijk om – daar waar bedrijven milieuwetgeving juist vaak als knellend ervaren – de marktwaarde van een haven aan de Waddenzee helemaal van de andere kant te benaderen, door duurzame productie juist als verkoopargument te gebruiken. Wat kun je bieden om bedrijfsvestiging te faciliteren, hoe kun je duurzame productie aan de rand van de Waddenzee vermarkten en hoe kun je ter ondersteuning van deze initiatieven het Waddenfonds toegankelijker maken.
Een andere vraag is ingegeven door de ‘natuurlijke’ ligging van de waddenhavens, waarvoor specifieke kansen en beperkingen gelden, en betreft de keuze van de strategie. Zetten we in op het collectieve belang op lange termijn – waarbij we één gezamenlijk en concurrerend product in de markt zetten – of kiest elke haven voor het eigen belang op de korte termijn en probeert het dat in concurrentie te realiseren. Nagegaan wordt of – in vergelijking met een gescheiden ontwikkeling – havenspecialisatie leidt tot winst voor alle havens samen.
Behalve de inbreng van de marktpartijen, is ook de inbreng van andere partijen van groot belang, die van stakeholders en deskundigen. Daarom adviseert een groep bovenregionale, bestuurlijk en inhoudelijk ervaren personen het project. De samenstelling van deze Raad van advies is aangegeven bij de projectorganisatie.